Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.
In de ijle berglucht boven Bormio, wanneer de maan scherp als een zilveren sikkel aan de hemel hangt, fluistert men al eeuwen over de heksen van de Valfurva. Men zegt dat zij dan tevoorschijn komen uit de schaduwen van de lariksbossen, gehuld in kronkelende rook en de geur van zwavel. Op hun bezemstelen — gemaakt van hout dat ooit door bliksem werd getroffen — scheren zij door de nachtelijke hemel, hoger dan de torens van de kerken, sneller dan de winterwind die over de passen jaagt.
De bezemstelen die zij gebruiken, zo gaat het verhaal, zijn doordrenkt met de duivelse magie van hun nachtelijke bijeenkomsten. Daarom worden ze, wanneer ze per ongeluk in handen vallen van een argeloze ziel, nooit zomaar gewone huishoudelijke voorwerpen. Een bezem die ooit door een heks bereden werd, gehoorzaamt geen menselijke wil. Wie probeert ermee zijn kamer schoon te vegen, merkt al snel dat het stof als door onzichtbare vingers wordt teruggeblazen naar de vloer, alsof de bezem lacht om de vergeefse moeite. Hoe zorgvuldiger men poetst, hoe hardnekkiger het vuil terugkeert — en soms lijkt het zelfs meer te worden dan ervoor.
Het gevaarlijkst zijn echter de geschenken die een vervloekte bezem kan brengen. Er wordt verteld dat iemand, na het schoonhouden van een schijnbaar smetteloze binnenplaats, plotseling een vuilnisbak aantrof die tot de rand gevuld was met glinsterende gouden munten. Sommigen beweren dat Beëlzebub zelf ze had gevormd, als lokmiddel voor hebzuchtige handen. Maar wat een wonder lijkt, verandert al snel in een nachtmerrie. Want zodra een mens zo’n munt aanraakt, begint de ware vloek zich te openbaren: uit elke munt groeit een duivel — en wel zoveel duiveltjes als er haren op de arm van de persoon staan die die munt heeft opgepakt.
Deze kleine wezens, met hun vurige ogen en scherpe stemmetjes, klampen zich vast aan de armen en schouders van hun slachtoffer en fluisteren dag en nacht hun kwellende woorden. Geen priester, hoe vroom of geleerd ook, heeft ooit een manier gevonden om de vloek volledig te verdrijven. Men zegt dat alleen de heksen zelf, of misschien de duivel die hen begeleidt, het oordeel kunnen terugdraaien — maar niemand met gezond verstand zoekt hun hulp op.
Daarom vertellen de bewoners van Bormio deze verhalen nog altijd aan kinderen die ’s avonds te dicht bij de bosrand spelen, en aan reizigers die achteloos een oude bezem willen gebruiken die ze ergens in een schuur vinden. Want wie niet gelooft in de magie van de bergen, loopt het meeste gevaar eraan ten prooi te vallen.
