Legendes uit het Valchiavenna (18): San Guglielmo

Fresco van San Guglielmo als ridder te paard, in het aan hem gewijde kerkje

Het Valchiavenna is het dal van de rivier de Mera, die vanuit de Alpen in zuidelijke richting stroomt en uitmondt aan de noordpunt van het Comomeer. De belangrijkste plaats is Chiavenna, aan de voet van de Alpen. Bij dit dorp beginnen twee routes naar Zwitserland, één over de Splugapas, de ander over de Maloja en Julierpas. Rond Chiavenna en de verschillende zijdalen spelen talloze legendes, waarvan je er hier een kan ontdekken.

Het valt op dat er veel verhalen zijn waarin heksen of duivels een rol spelen. Dit komt ons nu ongeloofwaardig over, maar voor de mensen in die vroegere eeuwen was dit niet het geval. Heksenvervolgingen (inquisitie) vonden in dit hele gebied veelvuldig plaats. Talloze vrouwen eindigden dan ook op de brandstapel.

 

Minder bekend is het heiligdom dat aan het begin van het dal ligt op een wat afgezonderde plaats aan de oever van de Liro. Om er te komen moeten we voordat we in San Giacomo-Filippo komen de SS 36 verlaten en links af slaan (richtingborden Olmo en San Bernardo) en dan bij de eerste bocht de hoofdweg verlaten en het weggetje rechts inslaan. We komen dan recht voor het kerkje uit dat gebouwd werd rond de grot waar onze kluizenaar in verbleef.

Wie was di San Guglielmo? In de volksmond was hij ridder en heilige. Een beeld dat waarschijnlijk door de kerk werd aangemoedigd want die combinatie van wapendrager en dienaar van de goddelijke zaak, kwam hen goed uit. De oorsprong van dit geloof was een notitie van ene Francesco Ballarini, die in zijn ‘Kroniek van de stad Como’ schreef over de gezegende Guglielmo “fu d’Orenga, overo Orangia Pricipato nella Francia”. Dit wil dus zeggen dat hij een Oranje was uit het prinsdom Oranje in Frankrijk, een lid dus van een illuster geslacht. Volgens een document uit 1381, dat werd opgesteld ter gelegenheid van het overbrengen van zijn stoffelijk overschot in de grot naar het hoofdaltaar van het kerkje, was hij geboren in 1080. Aangenomen werd daarom dat hij een ridder was in dienst van keizer Hendrik IV en dat hij het leger had verlaten om als kluizenaar in het Val San Giacomo verder te leven.

Recent zijn er echter historici die uit hetzelfde document lezen dat hij in 1290 was overleden en dat hij geen ridder uit Oranje was, maar behoorde tot de familie Orenga uit Menaggio.

Men zegt dat hij eerst aan de linkeroever van de Liro verbleef, aan de kant dus waar San Giacomo Filippo ligt, maar wat hoger tegen de berg, waar nu een kapel aan de SS36 ligt. Op deze plaats werden zijn lange uren van meditatie echter regelmatig verstoord door jonge herders die, om de lange uren bij de kuddes wat te breken door stenen naar hem te gooien. Op een gegeven moment werd dit hem te veel en besloot hij het dal te verlaten. Toen hij de richting Chiavenna was ingeslagen, kwam hij enkele boeren tegen die verbaasd waren hem daar te zien. Toen ze hoorden wat er aan de hand was, smeekten ze hem op bedroefde toon “Ga niet weg, verlaat ons dal niet, zonder uw heilige aanwezigheid kan er alleen maar onheil over ons komen”. Daarop besloot hij een plaats te vinden aan de andere kant van de Liro, ver van het geplaag van de jongens: zo woonde hij tot zijn dood in een grot, die nu nog te zien is binnen het zestiende-eeuwse kerkje.
Dit schreef in 1959 Lorenzo Buzzetti, oud-leerling van de middelbare school Bertacchi in Chiavenna, naar een vertelling van zijn grootmoeder.

Bruno Ciapponi schreef in “Il santuario di San Guglielmo” (Titano, 1973) ook over de wonderen van de heilige:

Zo was er bij zijn grot en waterbron waaruit geen gewoon water kwam maar geneeskrachtig water. Vele zieken werden door dit water genezen van hun kwalen.
Een tweede verhaal over de wonderen is het volgende: In deze versie liep de heilige toen hij door de plagerijen zijn grot had verlaten, niet naar richting Chiavenna, maar in de richting van de Spluga pas. Onderweg werd hij herkend door enkele herders die daar op een Alpenwei verbleven. Zij smeekten hem niet de pas over te gaan, maar bij hen te blijven en beloofden hem er voor te zorgen dat hij nooit meer gestoord zou worden. De heilige, bewogen door deze edelmoedigheid, nam hun verzoek aan de maaltijd met hen te delen. Hij had niets anders aan te bieden dan het beetje wijn in zijn veldfles. Maar toen hij deze doorgaf aan de herders, merkten ze tot hun grote verbazing dat de hoeveelheid wijn niet minder werd. En ook toen ze allemaal genoeg hadden gedronken bleef er nog wijn over. Zo kwam het dat San Guglielmo het dal nooit verliet en naar zijn oude grot terugkeerde, waar hij tenslotte overleed.

In het dorp werd ook nog het volgende verhaal verteld. Men merkte niet onmiddellijk dat hij gestorven was, maar een paar mannen uit Chiavenna, die naar de rivier waren gekomen om te vissen, vonden hem. Ze bedachten dat het goed zou zijn als hem meenamen naar hun parochie zodat ze konden profiteren van zijn hemelse bemiddeling. Met alle zorg, maar in grote haast om niet ontdekt te worden, tilden ze hem op en brachten hem naar de overkant van de rivier, op de weg naar Chiavenna. Toen ze daar waren, bemerkten ze dat ze nog steeds aan dezelfde kant waren. Ze stonden verstomd want geen van hen had ook maar een druppel gedronken op de avond daarvoor. Ze gingen opnieuw de brug over naar de plaats waar ze begonnen waren, maar nee wat ze ook probeerden, ze bleven op dezelfde oever. Daarop begrepen ze dat de heilige op de plaats wilde blijven waar hij was gestorven.

In het verhaal “C’era una volta…” van de leerlingen van de school in Mese, uit 1975, lezen we nog een variant. Op een dag kwamen er mannen uit Frankrijk die het lichaam van de heilige ridder mee wilden nemen. Ze namen zijn stoffelijk overschot en droegen het de brug over de Liro over. Na enkele passen begon de een na de ander te schreeuwen dat hij niets meer zag: allen waren blind geworden. Eén was er die begreep wat dit wonder betekende en hij riep: “allemaal achteruit! Achteruit!” Op de tast draaiden ze zich om en liepen het kleine stukje dat hen van de brug scheidde, zodat ze weer terugkwamen bij de grot. En meteen konden ze allemaal weer zien en ze begrepen dat de heilige niet verplaatst wilde worden.

De inwoners van san Giacomo wilden een betere plaats voor zijn lichaam kiezen en wilden een kerk bouwen op de plaats aan de overkant, waar nu een kapel staat. Men begon meteen aan het werk, maar ook hierbij werden ze verrast: alles wat de metselaars op een dag bouwden, werd in de nacht weer afgebroken en naar de plaats van de grot gebracht. Zo werd duidelijk dat zijn graf ook op die plaats moest blijven.

Meer info over San Guglielmo kan je hier vinden. 

 

Sluit je vandaag nog GRATIS aan als Italofan!
Over Ruud Metselaar 124 Artikelen
Ruud Metselaar is emeritus hoogleraar van de Technische Universiteit Eindhoven. Hij is al tientallen jaren een vaste bezoeker van het Comomeer en heeft zich in die tijd verdiept in de geschiedenis, het landschap en de kunst van dit gebied. Veel van zijn ervaringen werden gepubliceerd in artikelen, waarvan een groot deel is verwerkt in vijf boeken. Meer informatie kan je vinden op http://comomeerinfo.nl/index.html

Taste-Italy.be maakt gebruik van cookies. Door onze website te bezoeken verklaar je je hiermee akkoord. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'cookies toestaan" om de surfervaring te verbeteren. Als je doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van de cookie-instellingen of je klikt op "Accepteren" dan ga je akkoord met deze instellingen.

Sluiten