Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.
Over de vallei van de Maga (of Magàda) worden vele verhalen verteld. Het volgende verhaal komt uit de verzameling “Bozzetti Valtellinesi”, Tirano, 1878 van Giuseppe Napoleone Besta.
Hoofdpersoon is de herder Giovannino, zoon van de arme weduwe Maria. Hij leefde gelukkig in vrede met zijn rustige bestaan met het verzorgen van zijn kudde. Op een dag echter gebeurde er iets dat zijn onbezorgde leven geheel in de war bracht. Het was niet zomaar een willekeurige dag, maar de eerste dag van het jaar. Een dag die hij echter, onbewust van de feestelijkheden, doorbracht als alle andere dagen door zijn schapen, die zochten naar de weinige grassprieten, naar de met sneeuw bedekte weiden te brengen.
In een weide dicht bij het dal van de Maga, zag hij een ongewoon schouwspel. De sneeuw leek zich teruggetrokken te hebben waardoor een groot deel van de weide met de schapen begroeid was met vers gras. Dit wekte zijn nieuwsgierigheid, want hij had zoiets nooit eerder meegemaakt: het gezicht van het gras, te midden waarvan zelfs enkele kleine bloemen bloeiden, bracht hem in een toestand van ongewone vrolijkheid.
Hij uitte zijn goede humeur door een lied op zijn herdersfluit te spelen, iets waarmee hij de lange dagen bij het hoeden van zijn kudde doorbracht. Maar de verrassingen hielden daarmee niet op. Totaal onverwacht verschenen er drie mooie meisjes die naar hem toe kwamen en toonden dat ze genoten van zijn fluitspel.
Eén meisje in het bijzonder toonde hem met gratie en zachtheid haar sympathie. Ze glimlachte zo dat het een onuitwisbare indruk maakte op hem die nog nooit verliefd was geweest. De tijd vloog en omdat het de kortste dagen van het jaar waren, werd het voor de meisjes tijd om afscheid te nemen. Ongevoelig voor de smeekbeden van Giovannino, die wilde dat ze mee naar zijn huis zouden gaan, maakten ze aanstalten om te vertrekken. Maar de jongste van hen zei hem dat ze elkaar zouden weerzien op de eerste dag van het volgend jaar. Daarna niets meer. Ze verdwenen als een droom.
Giovannino zocht, riep, alles tevergeefs. Hij kwam nog vele malen terug op dezelfde plek, maar zag niets behalve de sneeuw die weer het deel van de weide ingenomen had, waar de meisjes zo geheimzinnig waren verdwenen. De herinnering vergezelde hem in alle volgende maanden.
Dat er iets met hem was, viel ook zijn moeder op, die hem vroeg wat er wat er was gebeurd. Hij vertelde wat hem was overkomen en zijn moeder was helemaal niet verbaasd. Zijn vader had minstens honderd keer de verschrikkelijke Maga ontmoet en evenveel keer was zij verdwenen in de vlammen van het ravijn. Je hoeft je niet te verwonderen want heksen kunnen verschillende gedaanten aannemen. Je kan er zelfs een te pakken krijgen door tegen de hoed te tikken en dan weg te lopen. De heks kon dan niet anders doen dan de persoon te volgen en eenmaal in diens huis gekomen moest ze daar blijven en dienen.
Maria zou graag een gehoorzame schoondochter hebben. Ze begon zelf ouder te worden en had steeds minder energie en daarom herhaalde ze tegen de winter vele keren tegen haar zoon, wat hij zou moeten doen. Toen dan eindelijk de langverwachte eerste dag van het nieuwe jaar aanbrak, wist Giovannino precies wat hij zou moeten doen.
Hij ging opnieuw naar de bergweide waar hij een jaar eerder de drie meisjes had ontmoet, dit keer met de hoed in de hand. De drie meisjes ontbraken niet bij de afspraak en hij gooide zonder tijd te verliezen zijn muts naar de jongste. Daarna liep hij meteen naar huis. Het meisje volgde hem met zijn muts in de hand. Bij het huis gekomen wilde zij hem die teruggeven, maar de moeder sloot meteen de deur achter haar. Zo werd ze gevangen in het huis.
Het jonge meisje huilde en smeekte de vrouw en de jongen haar vrij te laten en haar vóór zonsondergang terug te laten gaan naar haar huis. Maar tevergeefs. De jongen verklaarde haar zijn liefde en zei dat hij haar zou trouwen en dat zij de moeder van zijn kinderen zou worden. De jonge vrouw verklaarde dat zij vrede had met het nieuwe leven maar waarschuwde Giovannino met de volgende woorden: “Je zal de mooiste vrouw hebben die een herder ooit had en je huis zal gelukkig en voorspoedig zijn, opgevrolijkt door de lach van de kinderen. Ik zal een trouwe en toegewijde vrouw zijn, geduldig en oplettend. Je mag me zelfs slaan als je kwaad bent en ik zal het verdragen, maar één ding mag je nooit doen – mij slaan met de rug van je hand, want als je dat doet zal je me voor altijd verliezen”.
Hij zwoer dat het nooit bij hem op zou komen haar kwaad te doen, want hij hield innig veel van haar en ze was de vreugde voor zijn ogen. Zo werd het jonge meisje zijn vrouw. Ze schonk hem al snel twee prachtige kinderen, een jongen en een meisje, die vreugde in het huis verspreidden. Ook de welstand van het paar nam toe en alles leek volmaakt.
Maar de domheid, de werkelijke tragedie van het menselijk bestaan, verhinderde dat de man alles wat hij bezat op prijs stelde, ook nadat zoveel van zijn wensen in vervulling waren gegaan.
Zo begon na enkele jaren ook de liefde voor zijn vrouw af te nemen, terwijl tegelijkertijd die voor zijn kinderen toenam. Hij toonde haar steeds minder zijn genegenheid en steeds vaker behandelde hij haar met koelheid, die al snel veranderde in wreedheid. Ja, zo gaf hij haar ook de eerste klap voor een salade die hij iets te zout vond.
Nadat hij over die drempel heen was, wist Giovannino zich niet meer in te houden. Maar zijn vrouw verdroeg alles zonder te klagen. Zo kwam de dag dat hij thuiskwam en merkte dat het vuur in de oven nog niet was aangestoken voor de bereiding van de maaltijd. Zonder te luisteren naar zijn vrouw, die het die hele dag heel druk had gehad, sloeg hij haar met de rug van zijn hand en draaide zich om om zelf het vuur aan te steken. Toen hij zich weer naar haar omdraaide merkte hij dat ze verdwenen was.
Hij zocht overal, zowel in het huis als daarbuiten, vroeg aan de kinderen en aan zijn oude moeder, vroeg ook in het dorp, maar zonder resultaat. Van haar was ieder spoor verdwenen. Toen herinnerde hij zich haar woorden en begreep hij wat hij had gedaan. Maar dat was te laat. Er ging er weken en maanden voorbij, maar ze kwam niet terug.
Thuis gebeurde er echter wel iets vreemds: als de man ’s avonds terugkwam van de velden, vond hij alles perfect in orde alsof zijn vrouw nog in huis was. Zijn moeder, die inmiddels zo oud was geworden dat ze niet meer helemaal helder was, kon ook niet zeggen wat er gebeurde, terwijl de kinderen zeiden dat het hun eigen lieve moeder was die het hele huishouden deed.
Giovannino had het niet meer. De mysterieuze aanwezigheid van zijn vrouw en de last van de eenzaamheid maakten dat hij buiten zichzelf raakte, ook bij meningsverschillen met de kinderen. En zo gebeurde het dat hij ook hen sloeg. Zo verloor hij echter ook zijn kinderen. Ze verdwenen uit het gezicht en lieten hem wanhopig achter.
Datzelfde ongelukkige jaar verloor hij ook zijn moeder, die overleed van ouderdom. Zo bleef hij geheel alleen achter en bedacht dat hij op deze manier niet voort kon leven. Hij moest en zou tegen alle kosten zijn vrouwen en kinderen terug zien te krijgen. Hij wachtte daarom tot het nieuwe jaar.
Er waren precies tien jaren verstreken sinds de eerste ontmoeting met de drie meisjes. Maar deze dag zag er heel anders uit: er was geen zon om de koude lucht van januari op te warmen. Ook drukte een loodzwarte lucht op het nog slapende dorp en het sneeuwde grote vlokken op de huizen. Giovannino sliep echter niet en bij het aanbreken van de dag zorgde hij ervoor op de weide te zijn waaraan hij zulke aangename herinneringen had.
Maar wat hij verwachtte, gebeurde niet. Er verscheen niemand, geen geluid verbrak de stilte. En hij wachtte en wachtte. Toen, overmeesterd door de wanhoop, sprong hij in het ravijn met de bergbeek.
De volgende dag ging men op zoek naar hem en zijn spoor volgend begreep men wat er was gebeurd. Maar niemand waagde het om over de rotsen naar de beek te gaan om zijn lijk naar boven te halen.
