In deze reeks gaan we op zoek naar het verhaal van de Riviera. De Riviera ontstond niet uit zomerse stranddromen, maar uit winters verlangen naar zon, gezondheid en elegantie. Wat maakt dat deze regio onafhankelijk van de rest van Italië kon ontwikkelen? Hoe konden onbeduidende Ligurische vissersdorpjes uitgroeien tot het toppunt van luxe en elegantie, tot een broeierig paradijs voor de internationale jetset van de belle époque?
Het licht van Bordighera
Als er een stad is die alles aan het Rivieratourisme te danken heeft, dan is het Bordighera. Met de komst van de Engelsen groeide dit onbekende stadje uit tot een toeristische trekpleister. En dat alles dankzij een roman.
De zon, de zon
Mijn vader en ik, wij hadden zo onze gewoonten. Een daarvan was om tijdens de paasvakantie samen naar Italië te reizen. De auto in, een overnachting nabij Como reserveren en verder kijken waar het leven ons zou brengen.
Zo’n dertig jaar geleden, in april 1996, kwamen we aan in Cuneo, een prachtig stadje maar op die aprilavond winters. Op het weerbericht schreeuwde het zonnetje alleen aan de Ligurische kust, dus besloten we de volgende ochtend pal naar het zuiden te rijden, die zon tegemoet.
Een obstakel van formaat bleek echter de Colle Tenda te zijn. Van Cuneo naar de tunnel in Limone Piemonte reden we door een witte muur van mist, natte sneeuw en laaghangende bewolking. Een treffendere illustratie van de uitdrukking ‘geen hand voor de ogen zien’ ben ik nooit meer tegengekomen. De tunnel zelf, een antieke en claustrofobische constructie, was ook niet meteen een pretje: een smalle, slecht verlichte buis van meer dan drie kilometer.
Een keer uit de tunnel priemde de zon verblindend door de wolken. Om victorie te kraaien was het te vroeg. Eerst kwam de afdaling door de Gorges de Saorge: een aaneenschakeling van haarspeldbochten zonder vangrails, wegdek in slechte staat en onverlichte tunnels. Toen ik enkele uren later in Bordighera met een campari liscio op een terrasje zat, was de Danteske rit vergeten. Het was mijn kennismaking met het microklimaat van de Riviera di Ponente.
Gered door een Siciliaanse dokter
Je kan dan wel een mild klimaat hebben, als niemand dat weet, komen er ook geen toeristen. Het was Giovanni Ruffini, een Siciliaanse schrijver in ballingschap, die Bordighera op de Europese kaart zette. In 1855 publiceerde hij in Edinburg de roman ‘Doctor Antonio’ die de toekomst van de stad zou bepalen. Het is het verhaal van een Engelse edelman die met zijn dochter Lucy op weg is naar Nice. Even voor Bordighera slaan de paarden van hun koets op hol en ze hebben een ongeluk waarbij Miss Lucy haar been breekt. Gelukkig blijkt er in de buurt een Siciliaanse arts te wonen die Engels spreekt en de patiënte kan verzorgen. Lucy en Antonio worden verliefd maar hun gevoelens blijven onuitgesproken. Vader en dochter zetten hun reis verder van zodra het kan, Antonio gaat naar het zuiden om te vechten voor de eenmaking van Italië en eindigt in een cel in Ischia.
Met ‘Doctor Antonio’ wou Ruffini in Engeland en Frankrijk sympathie opwekken voor het Risorgimento, de unitaire beweging die zou leiden tot de eengemaakte Italiaanse staat in 1861. Het Doctor Antonio-effect is echter veel groter dan de auteur had kunnen vermoeden. De beschrijvingen van de palmen, de authentieke wandelingen over ezelspaden en het zachte klimaat brengen een literair wintertoerisme op gang zonder weerga.
Britse toeristen gaan massaal op zoek naar de Osteria del Mattone, de plaats waar Lucy wekenlang immobiel moet revalideren en geraken, net als Lucy, in de ban van het stadje. De Britse, Franse, Duitse en Russische adel overwinteren er en drukken hun stempel op de urbanisatie. Eenvoudige locanda’s verdwijnen en maken plaats voor monumentale hotels, bonbonnières in pasteltinten in een eclectische, neo-klassieke stijl met liberty-elementen. De Britse elite brengt haar tradities mee: theehuizen, de eerste tennisclub van Italië, een bibliotheek, een Anglicaanse kerk. Bordighera krijgt alles weg van een Engelse kolonie.
Wanneer in 1872 de spoorlijn van Ventimiglia naar Genova wordt doorgetrokken is Ligurië verbonden met de rest van Europa. Op het einde van de 19e eeuw telt de stad 2000 inwoners. In de winter komen er nog eens 3000 hivernants bij die logeren in l’Hôtel d’Angleterre, het Hotel Windsor, le Grand Hôtel Bordighera of in een privévilla.
Etelinda
Sommige families brengen in Bordighera elk jaar de winter door en doen dat graag in hun eigen stekje. Een van de eerste buitenlandse architecten die het stadsbeeld van Bordighera grondig zou bepalen is Charles Garnier. Terwijl in Parijs de werken aan de opera, het Palais Garnier, volop bezig zijn, plant Garnier een vakantiewoning aan de Riviera.

Tussen 1872 en 1884 ontwerpt hij de Villa Garnier, het stadhuis, de Villa Etelinda, een kerk en zijn eigen atelier. Villa Etelinda werd gebouwd in opdracht van de bankier Raphaël Bischoffsheim. Hij verhuurde de villa later aan aristocratische families, onder wie de Italiaanse koningin Margherita en de Schotse edelman Claude Bowes-Lyon. Toen de laatste de villa kocht, veranderde hij de naam in Etelinda. Een hommage aan zijn dochter Mildred die met het toneelstuk Etelinda in Firenze een publiekssucces had geoogst. Pas na de tweede opvoering, wanneer het extatische publiek de auteur op de scène riep, bleek dat het toneelstuk van een vrouw was.

Koningin Margherita kocht de villa vooraleer ze in 1914 even verder een groter palazzo liet bouwen, de Villa Margherita. De meeste villa’s zijn jammer genoeg niet te bezoeken. Sommige negentiende-eeuwse hotels hebben hun oorspronkelijke functie behouden en fungeren ook nu nog als hotel, zoals de Villa Garnier, maar zijn van binnen gemoderniseerd.
Rotstekeningen
In 1878 krijgt de Brit Clarence Bicknell een aanstelling als pastor van de All Saint Church in Bordighera. Hij is wetenschapper, botanicus, esperantist, filantroop, schilder en amateurarcheoloog en vindt in de Engelse kolonie al snel zijn weg. Na enkele jaren verliest hij zijn roeping en neemt hij ontslag in de Anglicaanse kerk. Vanaf dan houdt hij zich vooral bezig met de natuur en met archeologie. Hij brengt de wilde bloemen en planten in kaart en maakt er aquarellen van. Meer dan 1700 verschillende soorten repertorieert hij op tien jaar tijd in zijn herbarium.

Het is tijdens een zoektocht naar wilde planten dat hij in 1881 terecht komt in de Valle delle Meraviglie, een vallei in het Mercantourpark (nu Frankrijk). Bicknell had al gehoord over de prehistorische rotstekeningen en inscripties van de vallei, maar hij is de eerste die ze ook echt systematisch bestudeert. Met zijn assistenten kopieert hij 12.000 inscripties in de vallei en in de nabijgelegen Val Fontanalba. Een tiental is te zien in het wonderlijke museum in Bordighera.

Het was Clarence Bicknell zelf die in 1886 besloot zijn archeologische vondsten een definitief onderkomen te geven. In het Museo Clarence Bicknell vind je naast de rotstekeningen en prehistorische voorwerpen ook een hele bibliotheek over Ligurië, Bicknells publicaties over botanica, schilderijen en werken in het esperanto. Voor nostalgici die houden van een hands on experience is het zeker de moeite waard, maar de echte publiekstrekkers zijn de blauwe regen en de reusachtige ficussen aan de ingang. Samen met enkele palmen, een jacaranda en een Australische melaleuca vormen ze een onverwachte oase van rust. Ook van muggen, de gewaarschuwde bezoeker houdt de vinger op de spray.

Worstelen met licht
« Tout est merveilleux, et chaque jour la campagne devient plus belle ; je suis enchanté par ce pays ». Gidsen in Bordighera citeren maar graag de woorden van Claude Monet in een brief aan zijn agent Durand-Ruell in Parijs. Wat een verblijf van enkele weken moest zijn, wordt een artistieke ontdekkingstocht van 79 dagen. Zo lang zal hij nodig hebben om het onbevattelijke licht toch op het doek te krijgen.
Monet had Bordighera al eerder bezocht, samen met Auguste Renoir. In 1884 reist en werkt hij alleen. Niet alleen in Bordighera, ook in Dolceacqua, in Borghetto en in Sasso zal hij “worstelen met de zon”. Van de 38 werken die hij tijdens zijn verblijf maakt, is er geen enkel te bewonderen in de streek die hem inspireerde.

Toch is de schilder niet weg te denken uit de stad, en bij uitbreiding uit de Riviera di Ponente. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de herkenbaarheid van de schilderijen. Als je een replica van ‘Bordighera’, ‘Les Villas à Bordighera’ of ‘Jardin à Bordighera’ naast de huidige locatie legt, zijn de overeenkomsten verbluffend, en dat na bijna 150 jaar. Veel zichten in Bordighera Alta, het hoger gelegen oude centrum van de stad, zijn onveranderd. In een poging om de paradijselijke schoonheid van Bordighera te vrijwaren had Charles Garnier het stadsbestuur opgeroepen om minstens drie karakteristieke panorama’s voor toekomstige generaties te bewaren: de Città Alta, de Vallone del Torrente Sasso en Capo Sant’Ampelio. Het lijkt alsof er naar hem is geluisterd.

Van elite tot italiano medio: iedereen welkom
Sommige negentiende-eeuwse palazzi zijn nu hotels, andere privébezit. In de rechthoek tussen de Via Romana en de Via Vittorio Emanuele liggen de somptueuze kleurrijke villa’s naast pretentieloze constructies, opgetrokken voor een ander soort toerisme. Met een beetje verbeelding zie je in de koetsen mannen met een hoge hoed en vrouwen met hoepelrokken. Maar ook gewone Italiaanse burgers die in de jaren ’60 voor een zomervakantie naar het strand gingen en een appartement huurden.
Na de Tweede Wereldoorlog was het definitief gedaan met het elitetourisme dat Bordighera groot gemaakt had. De Europese adel maakte plaats voor de massa’s toeristen die de Ligurische kust iedere zomer overspoelen. Dat zie je ook aan de architectuur. De opzichtige villa’s moeten de ruimte delen met eenvoudige laagbouw, niet altijd even geslaagd maar een teken van een veranderende wereld. Het casino verging in een storm, in de Engelse clubs kan je nu vrolijke gelnagels laten zetten en in de Giardini Löwe wandelen geen huwbare Engelsen met een kanten parasol en een chaperonne rond, maar families met kinderwagens.
Maar het licht van Bordighera, dat bleef hetzelfde.
Volgende keer gaan we in deze reeks naar Sanremo. Er zit muziek in, maar ook een verrassende wetenschapper. En een muis.