Legendes uit het Valtellina (92): Het droevig lot van de prinses van Lajadira

Lay Da Rims

Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.

 

De plaatsen van Ombraglio zijn plaatsen van schaduw, de melancholische schaduw van de legende van Lajadira. Wij vertellen haar in de woorden van Tullio Urangia Tazzoli, in “La contea di Bormio – Deel III – Volks­tradities” (Anonima Bolis, Bergamo, 1935):

Wanneer men de Bagni Vecchi van Bormio voorbij is, bereikt men de Braulio-vallei met uitzicht op Boscopiano. Van hieruit begeven wij ons naar de lange, kale en eenzame Forcola-vallei, waarvan het muilezelpad in de middeleeuwen veel werd gebruikt, aangezien men via de Forcola-pas, ten zuiden langs de Rims-punt en de Piz Umbrail, door het hoge grasland van de Braulio-vallei en over de Sankt-Maria-pas en de Muranza-vallei, afdaalde naar de Ladinische Monastero-vallei en vandaar naar het Engadin, Tirol en Duitsland.

Laten ook wij de Forcola-vallei weer opstijgen en, met de Rims-punt rechts van ons gelaten, via de secundaire doorgang van de Herderspas bereiken wij binnen korte tijd het grote, eenzame Rimemeer, als het ware uitgehold in de flanken van de gelijknamige berg en in het Ladinisch[1] “Woestijnmeer” genoemd (Lay da Rims). De plaats is inderdaad zeer somber en eenzaam.

Welke klaagzangen bereiken ons, met de Alpenwind, van de kale rotsen die het meer omringen? Het lijken menselijke kreten en het zijn de kreten van de zielen van prinses Lajadira en van haar uiterst trouwe troubadour. Laten wij luisteren naar hun droevige liefdesverhaal.

In een zonnig land waar sinaasappel-, ceder- en laurierbomen bloeien, aan de oevers van een groot meer, in het land van Lajadira, leefde een prinses, mooi, blond en beminnelijk. In de zachte avondschemering en in de naar viooltjes geurende ochtenden bracht de prinses vaak de zoetste uren door aan het grote meer met zijn kobaltblauwe diepten, terwijl de trouwe troubadour aan haar voeten, in een kleine gondel, op de luit voor haar het liefdeslied van de gondelier zong:

Het meer slaapt, de golf is stil,
kom toch, o mijn blonde meisje…
Het bootje ligt al klaar,
kom naar de oever waar het op je wacht…
Stil is de golf…
Kom toch, o mijn blonde meisje…

Zo zong de luit, en het subtiele liefdeselixer drong, scherper dan de geur van de bloeiende ceders en oleanders, door tot in het hart van de jonge prinses.

Meerdere keren kwam een noordelijke koning naar het kasteel van Lajadira om haar ten huwelijk te vragen. Hij kwam uit de landen voorbij de Alpenketen, “de Zeven Glazen Bergen”. De koning was machtig en door zijn herhaalde verzoeken en op bevel van haar vader moest de prinses met hem trouwen. De trouwe minstreel, waanzinnig van liefde en verdriet, zong in elk gezelschap treurig en teder het gondellied op zijn geliefde luit, en dit lied werd beroemd in alle kastelen van Lajadira en zelfs ver daarbuiten.

De jaren gingen voorbij en de prinses leefde voorbij de “Zeven Glazen Bergen”, omringd door luxe en eerbewijzen, maar zonder genegenheid. In dat vochtige, koude en winderige rijk kwijnde zij weg van heimwee naar haar land en aan liefdesverdriet: “de grote hartstocht”, zo werd haar kwaal door de koninklijke artsen genoemd. Tevergeefs liet de prinses een meertje aanleggen en liet zij vanuit een boot het zo geliefde gondellied zingen. Ook werden op grote schilderijen de schoonheden van Lajadira afgebeeld, zodat de prinses ze kon herinneren en de gelukkige uren van weleer opnieuw kon beleven. Alles was vergeefs: de ziekte kende geen geneesmiddel.

Zij verergerde nog toen een oude troubadour aan het hof kwam en vertelde over de minstreel die beroemd was om zijn gondellied en hoe hij, wanhopig van liefde, soldaat was geworden en in een ver land was gestorven. Vanaf die dag kende de prinses geen rust meer: op een ochtend vond men haar bleek en koud in haar bed, gedood door “de grote hartstocht”. Zo melden de koninklijke kronieken van het grote noordelijke rijk voorbij de Zeven Glazen Bergen… Liefde uit een ver land…

Maar de legende eindigt niet in het vochtige en koude noorden. Na de dood van haar prinses heeft Lajadira geen bloemen meer, maar rotswanden, puinhellingen en sneeuw. Zij heeft zich verplaatst van de zonnige landen naar de grenzen van het Bormiese gebied, bij het woeste meer Lay da Rims, waar tussen die steile rotsen en onder de bescherming van de Alpenfee Artelusa de zielen leven van de troubadour die in de oorlog stierf en van de arme, verliefde koningin. De echo van het meer herhaalt soms het zoete liefdeslied van de gondelier:

“Het meer slaapt, de golf is stil –
kom toch, o mijn blonde meisje…”

en de Alpenwind, die door de kale sparren waait, draagt het geklaag van de twee verliefde zielen, die in het leven noch rust noch geluk hebben gekend.”

 

Vrij naar de bewerking van Massimo dei Cas

[1] Het Ladinisch is een oude Reto-Romaanse taal

Sluit je vandaag nog GRATIS aan als Italofan!

Over Ruud Metselaar 216 Artikelen
Ruud Metselaar is emeritus hoogleraar van de Technische Universiteit Eindhoven. Hij is al tientallen jaren een vaste bezoeker van het Comomeer en heeft zich in die tijd verdiept in de geschiedenis, het landschap en de kunst van dit gebied. Veel van zijn ervaringen werden gepubliceerd in artikelen, waarvan een groot deel is verwerkt in vijf boeken. Voor meer info kan je Ruud contacteren via rmetselaar@on.nl. Als je de verhalen over het Comomeer en Valtellina wil lezen dan kan dat ook door te gaan naar https://www.solemio.nl/nieuws-omtrent-comomeer-italie/comomeer-informatie-test/

Taste-Italy.be maakt gebruik van cookies. Door onze website te bezoeken verklaar je je hiermee akkoord. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'cookies toestaan" om de surfervaring te verbeteren. Als je doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van de cookie-instellingen of je klikt op "Accepteren" dan ga je akkoord met deze instellingen.

Sluiten