Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.
In Dante’s “Inferno” uit “De Goddelijke Komedie”, worden de hebzuchtigen in de vierde cirkel van de Hel gestraft. Ze duwen grote rotsen en botsen met andere zielen die rotsen in tegenstelde richting duwen. Zo duwen ze zware lasten zinloos heen en weer.
>Zo zijn er in het Val di Togno zielen van hebzuchtigen die veroordeeld zijn tot het eten van het gras in de magere weiden van het dal. Over deze verdoemden wordt het volgende verhaal verteld.
Eens was het dal rijk aan heldere bergbeken, malse alpenweiden en bloeiende boomgaarden. Maar wie er de scepter zwaaiden, waren de hebzuchtigen — een groep gierige landeigenaren die alles wat groeide en bloeide naar zich toe trokken.
>Ze waren ooit gewone herders geweest, maar door slim geruil, sluwe woorden en vals papierwerk, wisten ze steeds meer land in handen te krijgen. Ze kochten en verkochten grond zonder ooit zelf een spade in de aarde te steken. De arme boeren van het dal werden naar de rotsachtige flanken verdreven, waar het gras schaars en bitter was. Terwijl de hebzuchtigen hun runderen lieten grazen in de vetste weiden, lagen de anderen wakker van honger en kou.
Maar de aarde, zo zegt men in Val di Togno, vergeet niets.
Op een dag, zonder waarschuwing, werd het dal getroffen door een vreemd verschijnsel. Het gras in de rijke weiden begon te verwelken. De appelbomen droegen geen vrucht meer. De beek stroomde nog, maar haar water was bitter.
Niemand wist waarom, tot een oude vrouw — vergeten door tijd, genegeerd door de rijken — uit haar hut kwam en sprak: “Wanneer de hebzucht het land verstikt, trekt de aarde haar zegen terug.”
Wanhopig probeerden de hebzuchtigen hun land te bemesten, het gras te besproeien met bronwater, zelfs te bidden tot de berggeesten die ze eerder uitgelachen hadden. Maar niets hielp. Hun koeien vermagerden, hun zakken raakten leeg. Toen kwam de ergste vernedering van allemaal: ze moesten afdalen naar de armzalige weiden van de armen, waar alleen droog, stug gras groeide.
En daar, onder het waakzame oog van de bergen, zagen de hebzuchtigen hoe de mensen die ze verdreven hadden — nog steeds arm, maar verbonden met hun land — samen werkten, deelden, en leefden. En dus, met gebogen ruggen en lege magen, plozen ze het schrale gras tussen de stenen, hopend dat het hun trots minder bitter zou maken.
Giuseppina Lombardini (Ezio Pavesi, Valmalenco, Capella ed., 1969) spreekt ook over deze legende en zegt dat om middernacht de klokken van de verwoeste kerk van San Eusemio in Sondrio klinken als de zielen van de hebzuchtige inwoners van Sondrio uit hun huizen naar de vlakte komen om daar het schaarse gras te eten.
