Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.
Een dal dat al zo lang bewoond is als Val Zebru moet natuurlijk wel een eigen legende hebben. En in dit geval is die verbonden met de naam Johannes Zebrusius, een adellijke leenheer uit Gera Lario.
Deze edelman was om een niet beantwoorde liefde te vergeten vertrokken met een kruistocht naar het Heilig Land, waar hij vier lange jaren doorbracht.
Bij zijn terugkomst deed hij de bittere ontdekking dat de mooie Armelinda, op wie hij zo verliefd was, intussen getrouwd was met een kasteelheer uit de vlakte. En daarop dacht de jonge Zebrusius dat het maar beter was om opnieuw te vluchten om alles te vergeten en alleen de herinnering aan zijn geliefde en de plaatsen waar zijn gevoelens waren geboren met zich mee te dragen.
Misschien omdat hij de hitte van het Midden-Oosten moe was, vluchtte hij naar de immense bergen van het Boven-Valtellina, naar het dal dat later zijn naam kreeg. Daar leefde hij dertig jaar en een dag als kluizenaar tot zijn dood.
Gedurende die tijd had Zebrusius alle tijd om een waardig graf voor zichzelf te maken aan de voet van de kleine gletsjer van de Miniera, beschermd door het eeuwige ijs dat hem voor altijd zou conserveren. Toen hij voelde dat zijn tijd gekomen was, strekte de nu oude edelman zich uit in de grafkuil en liet door middel van een ingenieus mechanisme van gewichten en contragewichten een enorme grafsteen boven zich vallen. Deze grafsteen was van witte kalksteen uit de Dolomieten, waarin zijn naam was gegraveerd, goed zichtbaar onderaan het ijs van de gletsjer.
