In november 2025 opende het Grand Egyptian Museum (GEM) in Caïro officieel de deuren. Beelden van de kolossale Ramses II, de schat van Toetanchamon en de zonneboot van Khufu gingen de wereld rond en zorgden voor een toeristische explosie. Egypte was plots weer “in”. Voorzichtig begon ik naar vluchten te kijken en stelde ik mentaal een reisplan op. Een reismaatje was snel gevonden, en enkele weken geleden was het zover.
Een juweel van een museum
Na de piramides stond het GEM op het programma. We vielen van de ene verbazing in de andere; vijf uur vlogen voorbij. Elk detail van het gebouw heeft een functie. Meer dan vierduizend jaar beschaving ligt er klaar voor de bezoeker, die wordt meegezogen langs verbluffende artefacten. Dat veel van die stukken zijn opgegraven door buitenlandse gelukzoekers maakt deel uit van de geschiedenis. Over de rol en verantwoordelijkheid van antiquairs, pioniers en ontdekkingsreizigers valt veel te zeggen — maar dat is voer voor andere fora. Als er één naam is die tijdens deze reis telkens weer opdook, dan was het niet die van Bernardino Drovetti, de grondlegger van het Museo Egizio in Turijn. Toegegeven: als ontdekker en verzamelaar bouwde hij een indrukwekkende reputatie op. Zijn vondsten vormden de basis van belangrijke collecties in Turijn, het Louvre en het Egyptisch Museum in Berlijn. Maar het was zijn tijdgenoot, concurrent en landgenoot Giovanni Battista Belzoni die ik overal langs de Nijl tegenkwam. En daar is een goede reden voor.

Het Forum als graasplaats
“Il grande Belzoni” wordt vaak de Italiaanse Indiana Jones genoemd, al was hij veel meer dan een avonturier in een kaki hemd. Zijn leven leest als een roman, vol actie en tragiek. Belzoni werd in 1778 geboren in Padua, als zoon van een barbier. De stad maakte toen deel uit van de Republiek Venetië, en de familie heette oorspronkelijk Bolzón. Op zijn zestiende trok hij naar Rome om monnik te worden. Of hij daar al hydraulica studeerde — zoals hij later beweerde — is onzeker, maar zijn fascinatie voor de oudheid ontstond er ongetwijfeld.
Aan het einde van de achttiende eeuw was Rome een vaste halte op de Grand Tour. Monumenten zoals het Colosseum en het Forum Romanum waren slechts gedeeltelijk opgegraven en dienden deels als graasgrond voor vee. Voor wie verbeelding had, lag de oudheid er letterlijk voor het oprapen. Toen de Fransen in 1798 de macht grepen, vluchtte Belzoni naar het buitenland: eerst naar Frankrijk, later naar Duitsland en de Nederlanden. Uiteindelijk belandde hij in Engeland, waar hij trouwde met de excentrieke Sarah Parker-Brown, zijn naam veranderde en het Britse staatsburgerschap verwierf.

Samson uit Patagonië
Om de kost te verdienen, maakte hij gebruik van zijn uitzonderlijke gestalte en kracht. Belzoni was meer dan twee meter lang en bijzonder sterk. Onder de naam Patagonian Samson trad hij op in een circus, waar hij zijn publiek verbaasde met een spectaculaire menselijke piramide: tien personen balancerend op een frame van 45 kilo dat hij al wandelend door de piste droeg. Samen met zijn vrouw ontwikkelde hij nieuwe acts — soms met ingenieuze watermechanismen — en trok hij door Europa, tot in Spanje en Portugal.
In Malta ontmoette hij toevallig Ismael Gibraltar, een agent van Mehmet Ali, de pasha van Egypte. In 1517 had het leger van sultan Selim I Egypte veroverd op de Mamlukken. Sindsdien was Egypte een provincie van het Ottomaanse rijk die werd bestuurd door een gouverneur. Gibraltar was in Malta om ingenieurs en investeerders aan te trekken. Belzoni zag zijn kans en overtuigde hem om hem aan te nemen. Hij beweerde een waterpomp te hebben ontworpen die vier keer efficiënter was dan de modellen die toen in Egypte werden gebruikt.
Een slee voor Ramses II
Tijdens zijn eerste jaar in Egypte werkte Belzoni aan zijn pomp en aan zijn public relations. Hij ontmoette onder meer Bernardino Drovetti, die voor de Fransen de opgravingen verzorgde, de Zwitser Burckhardt en de Britse consul Henry Salt. Toen Mehmet Ali de pomp uiteindelijk afwees, moest Belzoni op zoek naar een nieuwe inkomstenbron.
Hij hoorde dat Salt en Burckhardt een manier zochten om een kolossale buste uit Thebe (het huidige Luxor) te transporteren. Belzoni ging de uitdaging aan. Hij ontwierp een rudimentaire slee en slaagde erin het meer dan zeven ton zware beeld over 1200 meter naar de Nijl te verplaatsen in twee weken. Het was het einde van de vriendschap met Drovetti, die hem vanaf dan als een uit te schakelen concurrent beschouwde. Later schreef Belzoni dat het gelaat van de buste, naar de hemel gericht, bijna leek te glimlachen bij de gedachte aan zijn reis naar Engeland.

In een roes
De Egyptenaren denken daar ongetwijfeld anders over, maar voor Giovanni Battista Belzoni was dit transport de game changer die zijn carrière zou lanceren. Niemand was er tot nu toe in geslaagd om het beeld te verplaatsen. Ook niet de Fransen tijdens de campagne van Napoleon. Een gat in de thorax van het beeld zou een herinnering zijn aan die euvele poging.
Belzoni raakte in de ban van de opgravingen. Terwijl hij wachtte op een geschikte boot om met zijn waardevolle vracht de Nijl op te varen begon hij te zoeken naar graven en tempels in Nubië en in Thebe. Hij probeerde een ingang te vinden in de tempel van Abu Simbel, kort daarvoor ontdekt door Burckhardt, maar moest na een week forfait geven bij gebrek aan eten en drinken. Op terugweg naar Luxor stopte hij in Philae bij Aswan waar hij een obelisk met perfecte hiërogliefen in bezit nam voor de Britse consul.
Voor zijn vertrek naar Caïro deed hij nog enkele ontdekkingen in Karnak en groef hij in de Vallei der Koningen zijn eerste tombe op, die van farao Ay. Om misverstanden te vermijden liet hij op het graf “discovered by Belzoni” graveren, een eigendomsbewijs dat hij nog veel vaker zou gebruiken. Eenmaal terug in Caïro leverde hij de buste en de andere opgegraven beelden over aan zijn opdrachtgever Henry Salt, die het transport naar Londen regelde. In 1818, drie jaar na de opgraving, kwam de buste aan in Londen waar je hem nog altijd kan bewonderen in het British Museum. Young Memnon, de naam die het beeld kreeg bij aankomst in Londen, bleek achteraf een beeltenis te zijn van farao Ramses II.

Het graf van Seti
Belzoni begon meteen zijn tweede expeditie voor te bereiden: opgravingen in Karnak en in de Vallei der Koningen. Daarbij moest hij dikwijls genoegen nemen met de minder interessante stukken van de sites. Drovetti en Salt – Frankrijk en Engeland – konden zich meester maken van de meer belovende opgravingen, vaak dankzij hun relaties in diplomatieke kringen. Belzoni ging er alleen voor, maakte zich na een tijdje los van Salt en van de Britten maar verloor daarmee ook zijn geldschieter.
Toch bleef hij hopen op lucratieve ontdekkingen. Dat betekende kostbare voorwerpen, want aan een lege tempel of een geroofd graf had hij hoegenaamd niets. Dat is tegelijkertijd een beetje de tragiek van zijn pionierschap. Financieel betekenden zijn ontdekkingen niet het grote geld waar hij op gehoopt had. Voor de albasten sarcofaag van Seti vond hij geen koper. Pas na zijn dood zou die privébezit worden van een Londense architect. Toch toonde hij — naar de normen van zijn tijd — opmerkelijke terughoudendheid: in plaats van fresco’s uit tombes te verwijderen, maakte hij er kopieën van.

Terug naar Europa
Belzoni’s derde expeditie eindigde met een sisser. Salt vroeg hem te zorgen voor het transport van de obelisk die hij eerder in Philae had geclaimd. Toen de obelisk in Luxor aankwam, werd Bernardino Drovetti zo boos dat het tot een handgemeen kwam. Drovetti probeerde de obelisk al jaren te bemachtigen maar zonder succes. Belzoni begreep dat hij in Drovetti een te machtige tegenstander had en vertrok naar Europa.
In 1819 kwam hij onder luid applaus aan in zijn geboortestad Padova. Hij deed twee sfinxen cadeau aan het stadsbestuur en er werd een herdenkingsmunt met zijn beeltenis geslagen. Na enkele maanden verliet hij Italië en ging hij naar Engeland, waar hij zich meteen aan het schrijven zette. In Narrative of the Operations and Recent Discoveries Within the Pyramids, Temples, Tombs and Excavations in Egypt and Nubia and of a Journey to the Coast of the Red Sea, in search of the ancient Berenice; and another to the Oasis of Jupiter Ammon beschreef hij zijn expedities, de vondsten en zijn persoonlijke impressies. Het boek, met prachtige aquarellen en kaarten, had zoveel succes dat er al snel nieuwe uitgaves kwamen en vertalingen.
Belzoni organiseerde een grote tentoonstelling met zijn vondsten en reproducties van de fresco’s van het graf van farao Seti. Salons gingen voor hem open, de tsaar van Rusland nodigde hem uit om te komen vertellen en hij werd lid van de loge. Toch was de opbrengst van de boeken en de verkoop van de Egyptische voorwerpen niet genoeg om zijn schulden af te betalen.
Daarom – en waarschijnlijk ook omdat hij een geboren avonturier was – vertrok hij opnieuw op expeditie. Deze keer naar de oorsprong van de Nijlbronnen en naar de mythische stad Timboektoe, toen ontoegankelijk voor Europeanen. De onderneming was moeilijk. Een eerste poging via Marokko stootte op de vijandigheid van autochtone volkeren, dus besloot hij naar Timboektoe te gaan via het zuiden. Hij zou zijn reisdoel nooit bereiken. In december 1823, kort na zijn aankomst in Afrika, stierf Giovanni Battista Belzoni aan dysenterie.

Erfenis van een pionier
In slechts vier jaar tijd liet Belzoni een onuitwisbare indruk na. Wie vandaag Egypte bezoekt, kruist onvermijdelijk zijn spoor. Hij was geen archeoloog of egyptoloog, maar een autodidact, een uitvinder en een avonturier. In een tijd waarin ontdekken gelijk stond aan bezitten, moest hij zich staande houden zonder de steun van machtige beschermheren. Hij bleef een buitenbeentje — in zijn methodes, maar ook in zijn houding. Hij liet zich graag portretteren in Arabische kledij en leerde de taal van de mensen met wie hij werkte.
Misschien is dat wel zijn grootste verdienste: niet alleen wat hij vond, maar hoe hij zich bewoog tussen verschillende werelden.
