Mythen en sagen rond het Comomeer (86): De heks uit het Val Cavargna

Mythen en sagen vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.

Toen de nacht begon te vallen, opende de vrouw de deur en ging naar buiten, de hond begon te blaffen, maar ze legde hem het zwijgen op: Stil Fido! Ze liep voorzichtig In het duister en kwam bij het houten tuinhek, waar ze stopte tot haar ogen gewend waren aan het donker. Daarna opende ze het hek en liep naar buiten. Ze hoefde niet ver: een perenboom van Sint Giacomo, vol fruit, waar ze al dagen naar uitkeek. Nadat ze over wat obstakels was gestapt, Kwam ze bij de boom, terwijl haar hart al klopte van de inspanning, maar vooral van angst. De perenboom scheen die nacht een dreigende reus die afstak tegen de lucht.

Maar ze had zo’n trek dat ze een besluit nam: Ze sloeg haar armen om de boom en begon te klimmen. Ze stopte niet voor ze de takken had bereikt. In alle haast begon ze op de tast fruit te plukken, zonder erop te letten, of ze al of niet niet rijp waren en stopte die tussen haar korset en In het schort dat ze hiervoor had omgedaan. Doen ze genoeg geplukt had, ging ze voorzichtig omlaag en haastte zich naar huis.

Haar kleintje sliep op een miserabel hoopje droge bladeren. Ze liep voorzichtig naar hem toe, schudde hem zachtjes om hem wakker te maken. Het kind, slaperig nog, begon gretig van de peren te eten zonder te vragen waar de vruchten vandaan kwamen. Toen hij genoeg had viel hij weer in slaap. De volgende morgen stond de vrouw zoals gewoonlijk vroeg op, denkend aan al het werk dat op haar wachtte. Ze maakte wat melk klaar voor het kind en dacht aan haar droevig bestaan: al enkele jaren weduwe moest ze iedere dag weer vechten om te overleven met alleen een paar kippen en een koe die vel over been was. Het huis, als je het zo mocht noemen, bestond uit een enkele grote kamer waar ze mocht wonen in ruil voor het werk dat ze verrichtte op de velden van de eigenaar.

Enkele jaren eerder was het dorp getroffen door een epidemie en de meeste van de overlevenden waren geëmigreerd. Ze was wel genoodzaakt om te blijven samen met twee andere gezinnen.

De zon stond al hoog boven het korenveld toen haar buurvrouw haar luidkeelse riep: “Kom snel, want je kind is ziek”. Ze haastte zich naar huis en nam het in haar armen, aaide hem terwijl ze de tranen uit haar ogen veegde. De buurvrouw vroeg haar telkens wat ze hem te eten had gegeven. Het voorhoofd van het kleintje was gloeiendheet en je zag dat het hoge koorts had. Ze maakte wat kamille voor hem en kon verder niets doen dan zijn voorhoofd deppen met in azijn gedrenkte doeken, altijd een goede remedie voor een gloeiend hoofd. Zo brak de avond aan. En daarna de nacht.

De vrouw bleef voortdurend naast het kind dat onrustig voelde van de pijn. Ze probeerde even om op te staan, waarbij ze de olielamp omstootte en die daarbij uitging. De kamer was stikdonker. Het vuur In de haard was uit en zelfs geen schijnsel van de maan verlichtte die vervloekte nacht. Ze ging naar buiten om bij de buurvrouw wat vuur te halen om de lamp weer aan te steken. Maar toen ze de deur openden zag ze in de verte een optocht van een vijftiental personen die uit de vallei van Cananin kwamen en naar het huis kwamen met brandende kaarsen in de hand.

De vrouw was zo verstijfd van angst dat ze zich niet eens afvroeg wat die lieden deden op dat uur en op die plaats. Ze liep naar hen toe en vroeg aan de laatste of die wat vuur voor haar had. Deze persoon stak zijn hand uit en ze zag verschrikt de uitstekende beenderen, alsof ze van een skelet waren en die haar een waskaars aangaf. Ze wilde de lont aannemen, maar was te laat: ze zag een verblindende gloed terwijl er een bedroefde kreet klonk als snikkend en bemerkte opeens dat de optocht was verdwenen en dat ze in haar handen in plaats van een waskaars een scheenbeen van een mens had. Ze zag niets meer, alles was stil en voor haar ogen verscheen een dichte nevel. Ze voelde al haar krachten wegvloeien en viel in zwijm op de grond.

De buren, wakker geworden door een schreeuw en door het voortdurende geblaf van de hond, renden naar het huis van de vrouw. Ze vonden haar flauwgevallen, midden op de weg, droegen haar naar binnen. Nadat ze was bijgekomen begon ze te vertellen wat er was gebeurd. In het begin, nadat ze hadden gehoord wat er was voorgevallen, dachten ze dat ze alles uit haar duim had gezogen door de emoties. Ze dachten dat ze gek begon te worden. Maar toen ze hen het bot toonden, dat waarschijnlijk in haar schoot was gevallen, stapten ze verschrikt achteruit en verbleekten. Iemand maakte stiekem het kruisteken en daarop renden ze allemaal het huis uit. De arme vrouw bleef alleen al smeekte ze om bij haar te blijven, bij haar en bij het steeds ziekere kind. Eensklaps, als getroffen door de bliksem, bedacht ze dat de ziekte te maken had met hekserij. Toen de ochtend aanbrak, vertrok ze hopend dat niemand haar zou zien, naar het Val Cavargna om daar naar de pastoor van Sint Nazzaro te gaan in haar geboortedorp, wetend dat die aan duiveluitdrijving deed.

Ze arriveerde in de loop van de middag en ging direct de kerk, waar ze op een van de banken ging zitten. Toen werd ze op haar schouder getikt door de pastoor die zei “Wat is er goede vrouw? Je ziet zo verschrikt uit”. “Herkent u me niet, meneer pastoor? Ik ben Maria. De weduwe van Antonio, getrouwd in Gnallo”. Toen de pastoor haar herkende, zei hij “Wat kom je hier doen en wat wil je?”

De vrouw verzamelde moed en vertelde hem wat haar was gebeurd. De pastoor ontstak in woede. Wil je nu mijn hulp zonderenares, zonder boete te doen?” De vrouw, wanhopig door de woorden van de pastoor, smeekte hem “alstublieft redt mijn kind, redt de arme onschuldige”. De vrouw viel op haar knieën voor het beeld van de Madonna en smeekte die om hulp. Intussen liep de oude pastoor heen en weer door de kerk en veegde zich het zweet van het voorhoofd. Terwijl hij voortdurend het brevier dat hij in zijn hand had opende en weer sloot. Plotseling viel zijn oog op een zin in zijn brevier: vrouw, je geloof heeft je gered. Dit waren de woorden die Jezus had gesproken tegen Maddelena. Hij wierp nog eens een blik op de figuur die om medelijden smeekte en eensklaps realiseerde hij zich dat er een zondares om hulp vroeg en dat hij een dienaar van God was. God vergeef me. Wat doe ik? Ik oordeel over anderen en vergeet dat ik op een dag ook beoordeeld zal worden. Daarop liep hij naar de vrouw en zei: “ ga naar Catharina della Valle en zeg dat ik je stuur”.

De vrouw ging op weg naar het huis van de oude vrouw, die iets buiten het dorp woonde. Volgens de inwoners van Sint Nazzaro was dit een heks en daarom gingen ze haar allemaal uit de weg. Ze riep haar en vroeg wat ze wilde. Op haar antwoord verheugde zich erover dat de pastoor de vrouw had gestuurd. Ze opende de deur en liet haar binnen. Het was een verschrikkelijke wanorde, een rokend vuur, een paar kippen die over de tafel liepen, een miauwende kat.

De vrouw ging verlegen naar binnen en liep naar de oude vrouw die in een pan stond te roeren boven het vuur. Nadat ze haar verhaal had verteld maakte de heks onduidelijke bewegingen met haar handen en bewoog haar mond alsof er stond de kauwen. Daarop zei Katherine “Wat je hebt gezien waren de zielen van inbrekers en moordenaars die de duivel zelfs in de hel niet wilde toelaten; ze gaan om middernacht rondlopen en veroorzaken leed bij iedereen die ze ontmoeten. Doe wat ik zeg, anders zullen jij en je kind sterven. Ga vannacht terug naar de plek en wacht tot de optocht eraan komt. Als degene die je de kaars gaf, dichtbij is zeg je tegen hem: Neem je been terug! In je schort heb je echter een kat verstopt, die je dicht tegen je aanhoudt, zodat hij je niet kan krabben”.

De nacht viel en In de verte verlichtten de kaarsen de duistere nacht. Maria was niet bang. Van wat ze deed hing het leven van haar kind en van haarzelf af. Plotseling zag ze hem naderen, zwijgend de schedel geheel bedekt met een zwarte capuchon, op zijn rug een rode mantel en daaronder een wit vest dat tot de enkels reikte. De vrouw liep naar voren en ging op de laatste in de rij af, zoals Catharina haar gezegd had. Een magere hand stak uit haar mantel. Terwijl de verdoemde met het been wegliep, zei hij tegen Maria; “Wees dankbaar voor wat je in je schort hebt anders zou dit je laatste nacht geweest zijn. Daarna verdween als bij toverslag de hele optocht.

De vrouw rende met het hart In de keel naar huis. Toen ze bij haar kind kwam zag ze tot haar grote verrassing dat hij weer beter was en rustig lag te slapen, terwijl de kat die ze in haar schort hield dood was.  Sinds die tijd stal ze nooit meer iets en liet ze zelfs een kapelletje bouwen voor de Madonna halverwege het pad.

 

Sluit je vandaag nog GRATIS aan als Italofan!
Over Ruud Metselaar 123 Artikelen
Ruud Metselaar is emeritus hoogleraar van de Technische Universiteit Eindhoven. Hij is al tientallen jaren een vaste bezoeker van het Comomeer en heeft zich in die tijd verdiept in de geschiedenis, het landschap en de kunst van dit gebied. Veel van zijn ervaringen werden gepubliceerd in artikelen, waarvan een groot deel is verwerkt in vijf boeken. Meer informatie kan je vinden op http://comomeerinfo.nl/index.html

Taste-Italy.be maakt gebruik van cookies. Door onze website te bezoeken verklaar je je hiermee akkoord. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'cookies toestaan" om de surfervaring te verbeteren. Als je doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van de cookie-instellingen of je klikt op "Accepteren" dan ga je akkoord met deze instellingen.

Sluiten