Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.
Vlak bij de Gaviapas, op de grens van het Valcamonica en het Valtellina, liggen twee meren, het Witte en het Zwarte Meer. Het ene meer noemt men zwart maar heeft in werkelijkheid een diepblauwe kleur en is omgeven door prachtige bloemen. Het meer aan de Valtellinese kant is wit door het witte zand dat de bodem bedekt. Over het ontstaan van deze meren worden verschillende verhalen verteld en één daarvan is het volgende.
Aan de voet van de bergtoppen in de buurt van de Gaviapas, woonden twee bevriende kinderen, Bianchina en Nerino. Er woonde ook nog een derde meisje, Pinotta, maar die had een heel naar karakter, was lichtgeraakt, altijd slecht gehumeurd en jaloers op de vrolijkheid van de andere twee.
Op een dag besloten Bianchina en Nerino om naar de Gaviapas te gaan en Pinotta niet mee te vragen op dit uitstapje. Daarop besloot Pinotta om wraak te nemen en ze vroeg haar vader, de gevreesde tovenaar Viz, om haar te helpen. Deze ontketende een vreselijke sneeuwstorm in de omgeving waar de twee kinderen waren. De kinderen probeerden zich tevergeefs staande te houden maar werden tenslotte door een wervelwind opgepakt en veranderden in twee ijsblokken, bijna doorzichtig als twee ijssculpturen.
De wanhopige ouders vroegen hulp aan tovenaars, nimfen en aan alle inwoners van de bergen. Toen de bosgeesten hoorden wat er gebeurd was, gaven ze hen de raad om naar de Watergeest te gaan, de enige die ze zou kunnen helpen omdat die zijn woning net onder de bergtoppen had, waar een riviertje omlaag kronkelde tussen de rossige rotsen.
Na een voettocht van zeven dagen en nachten bereikten de ouders de Watergeest, die de gedaante had aangenomen van een jonge man met haren die de kleur van de hemel hadden en met een gezicht wit als sneeuw. Hij zei hen dat er zoveel tijd was verstreken dat hij de betovering niet meer kon verbreken. Hij suggereerde echter aan de ongelukkigen de volgende oplossing: hij zou de kinderen kunnen transformeren in bewoners van de meren die deze slechts een enkele keer konden verlaten. De ouders accepteerden dit opdat ze hun kinderen nog een keer levend zouden terugzien.
De Watergeest vulde een holte met water en wierp dit met al zijn kracht tegen de ijsbeelden, zodat het door zou dringen in het bevroren hart van de twee kinderen. Als bij toverslag begonnen de beelden te druppelen: het waren de tranen van Nerino en Bianchina die het ijs ontdooiden en rond de kinderen twee meren vormden. Het water van het ene toont witte reflecties en wordt daarom het Witte Meer genoemd, terwijl het andere diepblauw schittert en het Zwarte Meer wordt genoemd.
Daarop zag Nerino hoe Bianchina zich onderdompelde in het water, met grote slagen wegzwom en in de diepte verdween. Hij stortte zich op zijn beurt in het water, dat vanaf dat moment zijn woning was geworden. Hun verhaal is daarmee niet beëindigd want af en toe komen ze uit het water en hervatten ze hun dialoog over dromen en liefde.
