Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.
Op een ijskoude ochtend, nadat er drie dagen aan één stuk sneeuw was gevallen, ging een jong meisje, Antea, van haar dorpje bij het huidige Bormio naar de alpenweide om geiten te voeren. Haar moeder had haar gewaarschuwd: “Ga niet te ver omhoog. De sneeuw ligt te los en een klein geluid kan al genoeg zijn.”
Maar Antea was koppig en haar geiten hadden honger. Ze trok verder het dal in, tot aan de voet van een steile helling waar grote lariksen stonden. Daar hoorde ze een dof en diep gekraak. De grond onder haar voeten zakte weg.
Voordat ze kon schreeuwen, kwam de hele helling in beweging. Sneeuw, ijs en takken stortten naar beneden. Antea werd meegesleurd, omgeslingerd, en uiteindelijk bedolven onder een dikke laag sneeuw. Toen alles stil werd, lag ze in een koude, witte duisternis. Ze kon nauwelijks ademen. Ze fluisterde een gebed — en verloor langzaam het bewustzijn.
Terwijl de mensen in het dorp al begonnen te zoeken, klonk er hoog boven hen een geluid als het kraken van oude wortels. Een grote gestalte liep door de sneeuw, met passen die zelfs de diepe laag niet deden wegzakken.
Het was de Wildeman. Zijn ogen glansden amberkleurig tegen de witte wereld. Hij bleef plots stil staan. Hij boog zich naar de sneeuw en legde zijn oor erop, alsof hij kon horen wat de berg zelf vertelde. Na een moment knorde hij zacht, tilde zijn enorme handen op, en begon te graven — snel, precies, alsof hij wist waar hij moest zoeken. Onder zijn handen brak de sneeuw open. Hij boog naar binnen, en daar — bleek en trillend — lag Antea nog net levend. Hij tilde haar voorzichtig op, alsof ze van dun ijs was gemaakt.
Toen ze haar ogen opendeed, zag ze zijn grote, ruige gezicht. Ze wilde schreeuwen, maar hij schudde langzaam zijn hoofd. “Niet bang zijn, meisje van het dal. Jij hebt de bergen respect getoond. Ze laten hun kinderen niet sterven.”
Met lange stappen droeg hij haar naar een open plek waar het dorp haar kon vinden. Hij legde haar neer op een hoop droge takken, tikte zacht tegen haar wang, en verdween weer in de sneeuwval — zo snel en stil als een grote bruine beer.
Toen de dorpelingen Antea vonden, was ze half bewusteloos maar in leven. De sneeuw rond haar was weggeschoven tot een soort nest — alsof grote handen haar hadden vrijgemaakt. Toen men haar vroeg wie haar gered had, fluisterde ze: “Ik zag ogen… warm als barnsteen. En een stem die klonk als de wind door dennen.”
Die winter stierf er niemand aan lawines, al waren er veel hellingen onstabiel. De dorpelingen zeiden: “De Wildeman waakt als de sneeuw boos is.”
En tot op vandaag vertellen oude herders in Valtellina dat je, wanneer je vlak voor een lawinebreuk een diepe, mensachtige roep hoort echoën over de valleien, beter terug kunt keren — want dat is de Wildeman die waarschuwt.
