Antonio Boggia (23 december 1799 – 8 april 1862) wordt algemeen beschouwd als de eerste Italiaanse seriemoordenaar. Hij was een meedogenloze crimineel die zonder enige emotie moordde.
Vlakbij Via Torino, tussen Via Nerino en Via Santa Marta, ligt een lange, smalle straat: Via Bagnera, die vroeger Stretta Bagnera heette.
Deze lange, claustrofobische straat heeft twee records op zijn naam staan: het is de smalste straat van Milaan, maar het was ook de plek waar de eerste Italiaanse seriemoordenaar uit de misdaadliteratuur zijn slag sloeg.
De Stretta Bagnera is zo’n 155 passen lang, een straat waar auto’s niet kunnen rijden. De oude stenen bestrating dateert nog uit de negentiende eeuw, meer bepaald uit het decennium 1849-1859, de jaren van de Risorgimento, maar ook van misdaden en misdrijven. Met name vier moorden door de eerste Italiaanse seriemoordenaar, die zijn ‘kantoor’ hier had, in deze straat waar de zon niet schijnt.
Antonio Boggia, zo heette de seriemoordenaar uit Milaan, was in werkelijkheid in 1799 in Urio aan het Comomeer geboren. Hij woonde een paar decennia op nummer 8 en nummer 10 in deze mysterieuze steeg samen met zijn vrouw Daria, die portier was, en hun twee kinderen.
Een onverdachte man
Met een strafblad voor fraude en poging tot moord in Piemonte, leidde bouwvakker Boggia een leven dat volledig in het teken stond van huis, kerk en gezin. Een onverdachte man: “Kalm, met een bijna goedhartig uiterlijk, strikt nalever van religieuze gebruiken, vreemd, althans ogenschijnlijk, aan slechte neigingen”, zo beschreef het vonnis van de rechtbank van Milaan hem.
Dankzij zijn kennis van de Duitse taal vond hij werk in Palazzo Cusani, het hoofdkwartier van het Oostenrijkse militaire commando.
Alleen had meneer Boggia naast zijn werk nog een andere hobby: mensen vermoorden en de lijken naar Via Bagnera brengen.
Boggia was lang, had wit haar, levendige ogen, was meestal kalm en vriendelijk, tenzij hij een glaasje te veel op had, en had een bijzonder talent voor het uitkiezen van slachtoffers, die goed bij kas moesten zitten om zijn aandacht te verdienen.
Het begin
De eerste ongelukkige heette Angelo Ribbone en was verantwoordelijk voor het laden van de kachels in de kazerne in de Via Cusani. Ribbone, die als arbeider bij Boggia had gewerkt, had een mooi bedrag van 1.400 svanziche (*) opzij gezet dat hij nodig had voor een huwelijksproject. Hij had jammer genoeg zijn voormalige baas hiervan op de hoogte had gebracht. De lange jongeman met de prominente neus werd naar de kelder van de smalle Bagnera gelokt, waar zijn voormalige bouwmeester zijn werkplaats had. Boggia sloeg hem met een bijl dood. Voor de arme stoker maakte Boggia het eerste gat in de kelder, nadat het lichaam in drie stukken was gesneden.
Het tweede slachtoffer, een zakenmakelaar, Giuseppe Marchesotti, kwam in 1850 op dezelfde manier aan zijn einde. Marchesotti was vaak op veilingen te vinden en had 4.000 svanziche op zak voor een deal met Boggia. Boggia lokte hem naar de kelder en vermoordde hem op dezelfde manier: een slag op het hoofd, een gat in de kelder, begraven.
In 1851 kwam er ook een macaber einde aan het leven van ambachtsman Pietro Meazza. In datzelfde jaar wist Giovanni Comi, een koper, zich echter te redden. Comi wist de aanslag met een bijl te ontwijken en te ontsnappen uit de kelder. Boggia kwam er ‘goedkoop’ vanaf met een paar maanden in een gekkenhuis voor criminelen.

De ‘inspiratie’
In juni 1859 nam de demon, of ‘de inspiratie’ (l’estro), zoals hij later tijdens het proces verklaarde, opnieuw bezit van Boggia. Hij had zijn zinnen gezet op het vermogen van Ester Maria Perrocchio, een zeer eigenzinnige oude vrouw die de gezelschap van katten en kippen verkoos boven dat van haar zoon Giovanni Maurier. Ze was eigenaar van een heel gebouw.
Nadat Boggia de vrouw had vermoord in het appartement in de Via Santa Marta waar hij aan het werk was, slaagde hij er met een goed georkestreerd plan, vervalste documenten, valse getuigen en meegaande notarissen in om beheerder van het gebouw te worden, met een valse volmacht van de vrouw die zich naar het schijnt had teruggetrokken aan het meer van Como.
Op 26 februari 1860 meldt Giovanni Murier de verdwijning van zijn moeder. Rechter Crivelli, die belast is met het onderzoek, is een koppig en bekwaam onderzoeker. Hij ontdekt al snel een valse volmacht die Antonio Boggia de rol van enige beheerder van de bezittingen van de vrouw toekent. Ook komt aan het licht dat de verdachte in 1851 had geprobeerd Comi met een bijl te vermoorden.
Valse volmachten
De buren getuigen dat ze de verdachte hebben zien rommelen met bouwzakken en bakstenen in een magazijn in de smalle straat Bagnera, vlakbij de kathedraal. Bij de huiszoeking vond men het lichaam van de vrouw, ingemetseld in een nis. In een bureau in het appartement van Boggia vond men vervolgens nog twee valse volmachten.
In de eerste machtigde Angelo Serafino Ribbone, een arbeider en dorpsgenoot, hem om zijn bezittingen op te halen bij een bejaarde tante van Urio. Van de man was elk spoor verdwenen. In de tweede volmacht gaf ijzerhandelaar Pietro Meazza Antonio Boggia de opdracht om zijn winkel en een kelder in de Via Bagnera te verkopen. Ook deze persoon was niet meer te traceren.
Een inspectie in de kelder leidde tot een verontrustend resultaat: men ontdekte drie lijken onder de vloer in plaats van de twee die de carabinieri zochten. Na veel onderzoek kon men de resten van het derde lichaam toeschrijven aan Giuseppe Marchesotti, een graanhandelaar, die ook door Antonio Boggia was vermoord.
Het einde van Boggia
Antonio Boggia, de eerste Italiaanse seriemoordenaar, werd gearresteerd. Tijdens het proces dat volgde, bekende hij de moorden en probeerde hij tot het laatst toe zich voor gek te houden. Hij werd schuldig bevonden en ter dood veroordeeld door ophanging.
Het vonnis werd op 8 april 1862 voltrokken. Het was de laatste doodstraf die men in Milaan uitvoerde voor een burger, dit tot aan de Tweede Wereldoorlog. Het onthoofde lichaam van Antonio Boggia werd begraven op de begraafplaats van Gentilino, terwijl het hoofd op verzoek van dr. Pietro Labus ter beschikking werd gesteld aan het anatomisch kabinet van het Ospedale Maggiore en vervolgens werd toevertrouwd aan de vader van de criminologie, Cesare Lombroso.
Wat blijft er vandaag de dag van Boggia over? Een paar romans over zijn verhaal, een gezegde, ‘fa minga el bogia’ (gebruikt voor iemand die vals vriendelijk is) en een extra blik op de smalste straat van de stad wanneer je gaat winkelen in de Via Torino.
(*) De svanzica (van het Duitse zwanzig kreuzer “twintig kreuzer”[1]) was een zilveren munt van twintig kreuzer die in het Oostenrijkse Rijk en zijn gebieden in omloop was. In Italië raakte hij vooral in gebruik na de oprichting van het Koninkrijk Lombardije-Venetië en tijdens het bewind van Ferdinand I.