Mythen, sagen en legendes vind je overal ter wereld, zo ook in de streek rond het Comomeer. In deze reeks komen de oude volksverhalen, die van generatie tot generatie daar zijn doorverteld, weer tot leven.
Leggende delle Alpi Lepontine e dei Grigion; Rocca San Casciano, Cappelli, 1969: Aurelio Garobbio vertelt twee verhalen over de verborgen schatten in de Alpe Cassana. Het eerste verhaal gaat over het goud dat hier verborgen zou zijn.
Het gerucht dat rondtrekkende studenten uit Venetië de schuilplaatsen van schatten kenden, werd van oor tot oor doorverteld en verspreidde zich al snel in het dorp, zodat de Venetianen zich in de gaten gehouden voelden. Dat gebeurde niet openlijk, maar men volgde hun bewegingen. Daarom vermomden zij zich als zwervers en bedelaars.
Een herder op de Cassana merkte een soort bedelaar op die voortdurend rond de hut en het vee bleef rondzwerven. Meermaals zei hij hem weg te gaan, maar die deed alsof hij gehoorzaamde, maakte een grote omweg en keerde dan weer terug naar de alpenweide. Moe van het bedrog werd de alpenbewoner boos en sloeg de vreemde reiziger, die echter niet terugsloeg en verdween.
Enkele jaren later bevond de herder zich op de markt in een stad in de Veneto. Tot zijn grote verbazing werd hij daar herkend door een heer: “U bent die herder van de Cassana”.
“Precies” antwoordde hij. “Dan moet u met me mee naar mijn huis komen”.
De man bracht hem naar een weelderig paleis met een marmeren façade, slanke vensters en een rijk gebeeldhouwde poort. Een stoet bedienden opende de deur en boog diep; zij gingen zalen binnen die prachtig beschilderd en luxueus ingericht waren. De herder geloofde zijn ogen niet en keek sprakeloos naar de mozaïekvloeren bedekt met zachte tapijten, de schilderijen en spiegels met vergulde lijsten, de schitterende kristallen kroonluchters en de gouden en zilveren serviezen vol gravures en arabesken.
De gastheer stuurde met een gebaar het personeel weg en vroeg, toen ze alleen waren: “Herinnert u zich de bedelaar die u op de Cassana hebt geslagen?”
Nu herinnerde de herder het zich zeker; er kon geen twijfel meer bestaan: de zwerver die hij had mishandeld en de heer voor wie een stoet bedienden boog, waren dezelfde persoon. Een rilling trok door hem heen, koud zweet brak hem uit. Hij bevond zich in de macht van de man die hij ooit had weggejaagd; die kon zich op elk moment wreken.
De Venetiaan glimlachte en haastte zich hem gerust te stellen: de herder hoefde niet bang te zijn. Hij was welkom en moest zelfs drie dagen in het paleis blijven, waar hij geëerd en bediend zou worden.
“Alles wat u hier ziet” zei de vroegere student “komt van de Cassana. En in naam van de schatten van de Cassana moeten wij vrede sluiten”.
Dat de uitgestrekte Alpe Cassana rijk was aan edele metalen, was in het Partenzdal al lang bekend.
Een geitenhoeder die door een onweer werd verrast, had ooit beschutting gezocht onder enkele vooruitstekende rotsen die als een dak boven hem hingen. Toen het weer opklaarde en hij terugkeerde naar de alpenweide, zagen zijn verbaasde kameraden enkele druppels goud op zijn hoed glinsteren. Meteen gingen zij op zoek naar de rots waar goud uit leek te sijpelen, maar hoezeer de jongen ook probeerde zich te herinneren waar hij had geschuild, hij kon de plek niet meer terugvinden.
Een arme drommel uit het dal ontdekte al zwervend op de Cassana toevallig een goudader. Twee keer haalde hij er goud vandaan en werd rijk. Maar dat was hem niet genoeg. Gedreven door hebzucht ging hij een derde keer terug, maar hij vond de plek niet meer. Moe van het vergeefse zoeken keerde hij verdrietig huiswaarts.
Toen hoorde hij een bovennatuurlijke stem: “Wat je hebt gekregen is meer dan genoeg. Het lot is je gunstig gezind geweest: daag het niet uit, want het zou zich tegen je kunnen keren”.
